Geschiedenis

1880
Zoals in de bijbel al gevallen werden beschreven van slaperige reuzen en oude mythologische verhalen melding maken van een koning die lijdt aan mysterieuze slaapperioden, zijn de eerste casusbeschrijvingen gedateerd uit 1877 door de Duitse neuroloog Westpal. Het vooral te danken aan de Franse zenuwarts en wijnkenner Gélineau dat de aandoening sinds 1880 bekend staat als narcolepsie. Een van zijn patiënten, een 38 jarige wijnhandelaar, had sinds enkele jaren in toenemende mate last van overweldigende slaperigheid, slaap die zelfs kon optreden midden in een gesprek of tijdens een maaltijd. Daarnaast bleek de man ook zeer bizar te reageren op emoties door plotseling door zijn knieën te zakken alsof hij slappe benen had. Gélineau noemde dit ziektebeeld narcolepsie. Het jaar daarop volgde een nieuwe publicatie onder de titel "de la Narcolepsy" waarin hij 14 gelijkwaardige patiënten beschreef.


1916
Daar met de term narcolepsie vooral het plotseling ongewild kortdurend in slaap vallen werd bedoeld, vond de Duitser Hennenberg in 1916 het wenselijk de plotselinge aanvallen van spierzwakte met een andere benaming aan te duiden. Hiervoor gebruikte hij het wordt kataplexie. Sinds die tijd worden narcolepsie en kataplexie, die bij een en dezelfde persoon onafhankelijk van elkaar en in wisselende mate kunnen optreden, als de twee hoofdklachten van het narcolepsie-syndroom beschouwd. Naarmate er meer patiënten werden beschreven bleek dat sommige van hen ook regelmatig last hadden van andere verschijnselen. De 2 meest voorkomende klachten waren het optreden van zeer levendige, levensechte maar dikwijls ook beangstigende dromen vooral tijdens de overgang van waak naar slaap, soms ook van slaap naar waak. Dit werd aangeduid als slaapgebonden (hypnagoge) hallucinaties. Een 2e verschijnsel was het ontwaken uit slaap met de vaststelling dat men zich niet meer kon bewegen, behalve de ogen. Deze algehele verlammingstoestand duurt vaak erg kortmaar uiteraard ook uiterst beangstigend. Deze slaapverlamming staat in de literatuur bekend als slaapparalyse. In tegenstelling tot narcolepsie en kataplexie werden deze laatste 2 verschijnselen als minder belangrijk beschouwd, reden waarom de 1e worden aangeduid als hoofdklachten en de hallucinaties en slaapverlammingen als geassocieerde of bijkomende klachten.


1957
Om de nadruk te leggen op het feit dat tijdens het verloop van deze aandoening bij sommige patiënten alle 4 de klachten in wisselende mate aanwezig kunnen zijn, verschijnselen die met elkaar alleen worden gezien bij patiënten met narcolepsie, werd door Yoss en Daly in 1957 de term narcoleptische tetrade ingevoerd.


1968
Sinds het gebruik van polygrafisch onderzoek voor het bestuderen van de graad van alertheid overdag en soort en diepte van slaap 's nachts (Rechtschaffen en Kales, 1968) werd vastgesteld dat het verloop van de slaap van narcolepsiepatiënten een typische afwijking vertoonde. Waar normaal na het inslapen eerst oppervlakkige langzame slaap optreedt gevolgd door diepe langzame slaap, opnieuw gevolgd door oppervlakkige slaap en dan tenslotte droom (REM) slaap, bleek dat bij mensen met narcolepsie de droomslaap reeds enkele minuten na het inslapen kan optreden. Ditzelfde afwijkend patroon werd vastgesteld wanneer narcolepsiepatiënten spontaan overdag in slaap vielen.


1973
De ontdekking in 1973 dat ook dieren en meer specifiek honden aan narcolepsie kunnen lijden heeft in belangrijke mate bijgedragen voor het verrichten van wetenschappelijk onderzoek. Dit had tot doel niet alleen meer inzicht te verkrijgen aangaande de oorzaak en de wijze waarop deze aandoening kan ontstaan, maar heeft ook toegelaten de effectiviteit van geneesmiddelen te testen. Jammer genoeg tot op heden slechts met beperkt resultaat.


1983-1984
Opzienbarend waren de bevindingen van een Japanse groep gepubliceerd in 1983-1984 die vaststelden dat in 98% van de mensen die lijden aan narcolepsie in het bloed een afwijkende immunologische reactie kon worden aangetoond (HLA-DR-2/DQ-1). Deze afwijking blijkt echter slechts in beperkte mate specifiek te zijn gezien en kan het ook bij 20% van de gezonde mensen worden aangetroffen. Doordat was komen vast te staan dat de aandoening in bepaalde families veel meer voorkomt dan in andere, werd gezocht naar een genetische origine.


1998-1999
Dit onderzoek dat thans nog in volle ontwikkeling is heeft recentelijk (1998-1999) tot een verrassende ontwikkeling geleid., te weten de ontdekking van een GEN defect in de erfelijke vorm van narcolepsie. Het blijkt dat een verstoorde functie van de hypocretines (chemisch transport vloeistoffen die uitsluitend in de hypothalamus van de hersenen wordt aangemaakt) resulteerde in narcolepsie. Dit blijkt niet alleen het geval te zijn bij de hond maar er zijn ook sterke aanwijzingen dat ze ook een belangrijke rol spelen bij het ontstaan van narcolepsie bij de mens. Zo vonden onderzoekers in Leiden en Stanford dat hypocretine (type 1) niet aantoonbaar is in het hersenvocht van personen die lijden aan narcolepsie. Dit zou worden veroorzaakt door het voortijdig afsterven van de hersencellen die deze stoffen produceren. Hopelijk zal deze ontdekking in de toekomst leiden tot een gemakkelijker vaststellen van de aandoening reeds in een vroegtijdige fase en tot een betere behandeling. Gelukkig zijn niet bij alle mensen met narcolepsie alle klachten aanwezig en daarenboven kunnen ze sterk wisselen in intensiteit. Hierdoor is het ziektebeeld soms verwarrend en wordt hetzij te laat de diagnose gesteld of wordt een onjuiste diagnose gesteld. Daarom is het ook van groot belang dat wereldwijd onder de benaming narcolepsie hetzelfde klachtenpatroon wordt verstaan. De thans meest gangbare definitie is deze die in 1990 werd opgenomen in de International Classification of Sleep Disorders en die luidt als volgt:


"Narcolepsie is een aandoening van onbekende oorsprong, gekenmerkt door vergrote slaperigheid, die typisch is geassocieerd met kataplexie en andere droomslaap gebonden verschijnselen zoals hypnagoge hallucinaties en slaapparalyse"